Home » Nederland » Natuur en veehouderij
MOBilisation in Nederland  nl
__________________________________________________________________________________________________________

PERSBERICHT 10 SEPTEMBER 2014

ONVREDE NATUURORGANISATIES OVER VERENIGING NATUURMONUMENTEN

‘Stilzwijgen Natuurmonumenten legitimeert illegaal vee’

Den Haag/Nijmegen, 6 september 2014; Natuurmonumenten legitimeert door haar stilzwijgen massale illegale uitbreidingen van duizenden veebedrijven. Dit stellen 47 lokale milieu- en natuurorganisaties vandaag in een brief aan Vereniging Natuurmonumenten. De organisaties spreken in de brief hun onvrede uit om het feit dat Natuurmonumenten geen stelling neemt tegen de ernstige natuurschade veroorzaakt door illegale veehouderijbedrijven. Vereniging Natuurmonumenten heeft als grootste natuurorganisatie en vaste gesprekspartner van de overheid de plicht hierover stevig bij de overheid aan de bel te trekken. Door dit na te laten legitimeert zij het gedoogbeleid van de overheid rond de illegale vee-uitbreidingen zonder geldige natuurbeschermingswetvergunning.

De 47 organisaties maken zich grote zorgen over ernstige natuurschade door de Nederlandse veehouderij. In de afgelopen 10 jaar hebben duizenden bedrijven illegaal uitgebreid zonder de vereiste Natuurbeschermingswetvergunning. Europese afspraken worden massaal aan de laars gelapt. Van de provincie Utrecht is bekend dat het om ongeveer 250 bedrijven gaat, in Friesland om 250 tot 400 en in Drenthe mogelijk om 1.000 bedrijven.

Nederland is het meest veedichte land van Europa. De Nederlandse natuur wordt zwaar getroffen door de vervuiling afkomstig van de veehouderij. Door de mest van 12 miljoen Nederlandse varkens, 100 miljoen kippen en 4 miljoen koeien treedt permanent ernstige ammoniakvervuiling op met grote schade voor natuur. De aanpak daarvan door de overheid is al vele jaren tergend zwak, getuige de talloze illegale uitbreidingen. Kort geleden heeft de overheid toegestaan dat de melkveestapel weer mag groeien. Het kabinet dreigt bovendien ook weer meer varkens en kippen toe te staan.

De overheid is bezig nieuwe regels op te stellen over de natuurschade door veehouderij. De overheid wil met één besluit - Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) - duizenden illegale bedrijfsuitbreidingen alsnog een Natuurbeschermingswetvergunning geven, zonder dat serieuze extra eisen worden gesteld.  

Natuurmonumenten is de grootste en belangrijkste natuurbeheerder van Nederland. Zij heeft de verantwoordelijkheid voor 100.000 hectare natuur, en is een vaste gesprekspartner van de overheid. Met het zwijgen van Natuurmonumenten heeft de overheid een excuus om de andere kant op te kijken bij illegale uitbreidingen. Vereniging Natuurmonumenten wordt opgeroepen de landelijke, provinciale en gemeentelijke overheden die hiervoor verantwoordelijk zijn stevig aan te spreken.

Einde persbericht

===========

Natuurbeheer, veehouderij en ammoniak

Veehouders zijn ondernemers: tegen zo laag mogelijke kosten produceren. Dat is enkel dan geen probleem als er weinig veehouderij is. Nederland is evenwel het meest veedichte land van Europa. Wat wordt gecombineerd met een hoge bevolkingsdichtheid. Kritiek op veehouderij en megastallen is dan ook een kritiek op het toestaan van veehouderij op industriële schaal waar dat niet past. Nederland is trendsetter in intensieve veehouderij, geholpen door de expertise van Landbouwuniversiteit Wageningen (stalsystemen, voerconversie, veterinair) en de Rotterdamse haven (import veevoer).   

Grootschalige veehouderij geeft veel natuurschade, vooral door de mestemissies. De Nederlandse overheid heeft hierin een natuurzorgplicht, ook internationaal, geregeld in de Natuurbeschermingswet. Hoe werkt dat in de praktijk als het om de veehouderij gaat? Het onderstaande is gebaseerd op de jurdische ervaring van 100-en juridische procedures en kan worden beschouwd als de essentie c.q. spoedcursus van wat hierin politiek-bestuurlijk en juridisch actueel is. U kunt hier lezen hoe het zo ver is gekomen dat Nederlandse natuur een politiek weeskind is geworden. 

Veehouderij is de belangrijkste oorzaak van één van drie voornaamste oorzaken van structurele natuurschade. De drie belangrijkste oorzaken van natuurschade zijn versnippering (veel kleine natuurgebieden zonder onderlinge verbinding), verdroging (grondwaterstand) en verzuring (stikstofdeposities). Veehouderij is de grootste bron van stikstofdeposities, afkomstig uit de mest van 95 miljoen kippen, 12 miljoen varkens en 4 miljoen stuks rundvee. Het probleem is al decennia bekend, onderzocht en door de overheid op de politieke agenda gezet, maar verre van opgelost.

 - Rechtszaken tegen het bevoegd gezag

MOB heeft in de afgelopen jaren honderden procedures gevoerd tegen door provinciebesturen verleende Natuurbeschermingswetvergunningen aan veehouderijbedrijven, waaronder een lange serie  beroepsprocedures bij de Raad van State. Hieronder een greep uit recent gewonnen uitspraken bij de rechter. Naast deze zaken zijn nog tientallen zaken te noemen die door het bevoegde gezag zijn herroepen nadat MOB bezwaar maakte. Als het bevoegde gezag het zo vaak bij het verkeerde eind heeft, dan moet er iets ernstig mis te zijn. Immers, het bevoegde gezag, die de wet onjuist toepast, zou uitzondering dienen te zijn. Nu lijkt het bijna de regel. Ondergenoemde uitspraken zijn terug te vinden op de website van de raad van State.

ABRS zaaknummer 201305072/1/R2 van 11 december 2013

ABRS zaaknummer 201206190/1/R2 van 13 november 2013

ABRS zaaknummer 201307089/2/R2 van 2 oktober 2013

ABRS zaaknummer 201305058/1/R2 van 11 september 2013

ABRS zaaknummer 201305066/1/R2 van 28 augustus 2013

ABRS zaaknummer 201305093/1/R2 van 28 augustus 2013

ABRS zaaknummer 201305052/1/R2 van 28 augustus 2013

ABRS zaaknummer 201305065/1/R2 van 28 augustus 2013

ABRS zaaknummer 201110396/1/A4 van 10 juli 2013

ABRS zaaknummer 201010326/1/A4 van 26 juni 2013

ABRS zaaknummer 201101656/1/A4 van 22 mei 2013

ABRS zaaknummer 201011080/1/A4 van 1 mei 2013

ABRS zaaknummer 201100081/1/A4 van 1 augustus 2012

ABRS zaaknummer 201009790/1/A4 van 30 mei 2012

ABRS zaaknummer 201003985/1/A4 van 18 april 2012

- Politiek weeskind

In de afgelopen tientallen jaren is veel kennis beschikbaar gekomen uit onderzoek en zijn door de overheid regels gesteld. In essentie is het ook een overzichtelijk en goed oplosbaar probleem. Toch is in de afgelopen 10 jaar nauwelijks nog vooruitgang geboekt, met als voornaamste oorzaak politieke onwil. De relatief makkelijk te realiseren milieuwinst (in politiek jargon: het laaghangende fruit in de vorm van voor de hand liggende milieutechnieken) wordt inmiddels toegepast. Nu het moment van keuzes maken is gekomen (is de huidige veestapel - lees: mestproductie - houdbaar?), blijkt het een politiek weeskind. En ondertussen woekert de natuurschade voort.  

Als beleid gold sinds 1994 de (inmiddels ingetrokken) Interimwet Ammoniak en Veehouderij (IAV). Sinds 2003 is de Wet Ammoniak en Veehouderij (WAV) daarvoor in de plaats gekomen. Vooral met de WAV is flink de klad gekomen in de doelmatigheid van het overheidsoptreden. Geen wonder: die wet stond weer een toename van de emissies toe. Ook de verantwoordelijke minister heeft inmiddels moeten toegeven dat het beleid ondoelmatig is geworden (MvT Crisis en Herstelwet, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 127, nr. 3, pagina 25).  

Kort samengevat: middels een combinatie van zogenaamde vervuilingsrechten, mest- en melkproductierechten heeft de overheid een omstreden stelsel opgetuigd, die de bestaande schade meer in stand houdt dan reduceert. De betrokken bedrijven zien de vervuilingsrechten (emissierechten) als bedrijfskapitaal, en handelen er ook in (salderen). Ondernemers zijn vaak enkel bereid minder te vervuilen als daar een vergoeding (subsidie) tegenover staat. Immers, waar vervuilingsrecht wordt ingeleverd wordt toekomstige schaalvergroting (lees: megastallen) bemoeilijkt. Dit alles is verregaand vergelijkbaar met muziek asociaal hard zetten, en pas bereid zijn het zachter te zetten als de klagers geld betalen.

Nederland is gelijktijdig een bijzonder land. Weliswaar geeft de hoge bevolkingsdruk een zeer intensief gebruik van bodem, water en lucht. Anderzijds zijn veel mensen zich daarvan ook goed bewust, en zijn bereid daar gevolgen aan te verbinden. Nederland herbergt bovendien veel kennis en ervaring op dit gebied. Veel werk van de vorige generatie bestuurders en ambtenaren heeft zelfs model gestaan voor milieubeleid in andere Europese landen.

Een doelmatige opstelling van de overheid is voor natuurbehoud - helaas! - vaak een noodzakelijke voorwaarde. Alleen al omdat de overheid een verregaande beslissingsmonopolie heeft over milieuveiligheid. De Staat bepaalt in hoge mate wat milieuveilig zou zijn. Weliswaar stelt ook de Europese Unie milieunormen. Die normen zijn niet enkel matig ambitieus, ook wordt veel tijd gelaten om de normen te halen. Vaak komt Nederland pas op het allerlaatste moment in beweging (voorbeeld: de implementatie van de Habitatrichtlijn). Daarbij bestaat dan nog de mogelijkheid van uitstel (derogatie; door Nederland gevraagd en gekregen voor fijnstof en nitraat). Kortom, milieuveiligheid is in de praktijk een speelbal van democratische besluitvorming, en daarmee van lobbywerk.

Hiermee wordt alles behalve gezegd dat de overheid geheel verantwoordelijk is voor natuurbehoud. Juist niet! Daarvoor is de overheid teveel een inefficiënt apparaat, als een reus op lemen voeten, speelbal van lobbyisten. Maar de overheid komt volgens MOB onontkoombaar wel een beslissende rol toe voor wat betreft het stellen van eerlijke en werkbare regels, consequente handhaving van die regels en het ontsluiten van kennis.

Hierna wordt een korte geschiedenis gegeven van de Natuurbeschermingswet. Dan wordt verteld waarom deze wet noodzakelijk is. Vervolgens kunt u lezen wat MOB doet om van de overheid gedaan te krijgen dat ze haar -wettelijk vastgelegde- verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk neemt. Afsluitend wordt een politieke analyse gegeven.

- De Natuurbeschermingswet

De Natuurbeschermingswet (hierna: Nb-wet) bestaat al lang: vanaf 1967. Tot in de jaren negentig heeft deze wet weinig betekend. Eind jaren negentig komt daar voorzichtig verandering in. Rond de Natuurbeschermingswet ontstaat zelfs enig politiek rumoer.

Al vanaf de jaren tachtig zijn alle Europese Unie-lidstaten verplicht gepaste natuurbeschermingsmaatregelen te nemen voor natuurgebieden met een internationale waarde. Die internationale waarde volgt uit het voorkomen van meer dan 5% van een of meerdere soorten planten of dieren in een gebied. In het jaar 2000 wordt Nederland door de Europese Commissie op het matje geroepen (in gebreke gesteld) omdat geen uitvoering wordt gegeven aan die verplichtingen met betrekking tot de zogenoemde Habitat- en Vogelrichtlijngebieden (synoniem: Natura 2000-gebieden). Daarmee maakte Nederland een slechte beurt. De regering reageert hierop in 2001 met een voorstel tot wijziging van de natuurbeschermingswet om zo alsnog aan de gestelde verplichtingen te voldoen.

Ondertussen hadden ook enkele maatschappelijke organisaties de nalatigheid van de Nederlandse overheid ook bij de Nederlandse bestuursrechter aangekaart. De bestuursrechter bevestigde dat de overheid nalatig was in de uitvoering van haar wettelijke plichten. Veel overheidsbesluiten waarin de natuurbelangen zoals genoemd in de Habitat- en/of Vogelrichtlijn waren 'vergeten' moesten daarom overnieuw. Ook daarmee kwam druk op de regering.  

Daarmee leek een kentering te komen in wat lange tijd praktijk is geweest. Lang was het zo dat als een bouwplan (voor bijvoorbeeld een weg, een nieuwbouwwijk of bedrijf) maar belangrijk genoeg leek, er steeds weer een klein (of groot) stukje natuur verloren ging. Er staan steevast wel wat cowboy-ondernemers klaar om gaatjes te zoeken in de regels van de bestemmingsplannen en wetten. Aan huizenbouw in de rand van het bos kan veel geld worden verdiend. Ook bedrijfsuitbreidingen zijn vaak lucratief. In woord belijden velen politici het natuurbelang. Maar in de praktijk bleef natuurzorg per saldo dikwijls op verlies staan. Belangrijke oorzaak daarvan was dat geen harde juridische bescherming van natuurwaarden gold.

- Noodzaak van wetgeving

Met het voorgaande is het belang van de Nb-wet duidelijk gemaakt. Maar nog altijd denken veel politici in de tegenstelling 'mens versus natuur'. Als niet een harde bescherming geldt voor de resterende natuur, dan moet ernstig gevreesd worden voor het behoud daarvan. Van de oorspronkelijke natuurwaarden in Nederland resteert momenteel nog ca. 15% (Halting biodiversity loss in the Netherlands, PBL 2010). En de trend is nog steeds negatief: het totaal aantal soorten (biodiversiteit) blijft afnemen. Wel lijkt een kentering van de mate van afname in zicht.

Ondertussen zijn sommige natuurbeheerorganisaties bezig om de terreinen die ze hebben, ecologisch zo divers mogelijk te maken. Er als het ware uit persen wat er in zit; maximaliseren potentiële natuurwaarden, vaak bekostigd met compensatiegeld voor nieuwe ingrepen elders (nieuwbouw enz.) die ten koste van bestaande natuurwaarden gaan. Plaggen, her-meanderen van beekloopjes, verhogen van het waterpeil. Dit 'natuurwerk' ontlokt -niet zelden terecht - dan weer op een ander soort kritiek: ingenieursnatuur. Voorlopig zit de Nederlandse natuurzorg nog flink in het defensief. Hoe interessant ook: een project als de Oostvaardersplassen maakt daarin alles behalve een doorslaggevend verschil.

Hierboven is al genoemd dat concreet drie belangrijke oorzaken zijn te noemen waarom natuurzorg in het nauw zit:

1. overbelasting stikstof en vermesting (hoofdoorzaak is de extreem grote Nederlandse veestapel)

2. verdroging (grondwaterpeil)

3. versnippering (talloze kleine natuurperceeltjes, zonder onderlinge verbinding)

Ad 1.

De overbelasting door stikstof is bekend sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw met de naam 'zure regen'. In de jaren negentig is de meeste winst geboekt. In de afgelopen tien jaar is een impasse opgetreden. We zijn grofweg halverwege waar we terecht moeten komen om de natuurwaarden te behouden.

Het probleem bestaat uit het feit dat veel kwetsbare plantensoorten een overschot aan stikstof niet verdragen, danwel overwoekerd worden door planten die juist goed gedijen bij veel stikstof. Bramenstruiken, brandnetels, akkerdistels en sommigen grassoorten drukken veel planten weg waardoor de diversiteit aan plantensoorten krimpt. Aangezien veel insecten afhankelijk zijn van bijzondere plantengemeenschappen, ontstaat ook een negatief effect voor de fauna.

De voornaamste bron van stikstofemissies is de veehouderij, in de vorm van ammoniak (NH3). Er is geen ander gebied in Europa waar op een zo klein stuk grond zoveel landbouwdieren worden gehouden als in Nederland: 4 miljoen runderen, 12 miljoen varkens en 95 miljoen kippen (cijfers 2010). Het gaat hoofdzakelijk om Oost-Brabant, Noord-Limburg, Gelderland en Overijssel (in beleidsjargon 'de reconstructie- of mestoverschotgebieden' genoemd).

De emissies vanwege het mestuitrijden en de stallen zijn in de meeste gevallen veel te hoog om de instandhouding van de natuurwaarden te waarborgen. 25 jaar wetenschappelijk onderzoek laat daarover weinig twijfel meer bestaan. Zie onder meer de overheidspublicatie Ammoniak in Nederland. Omdat veehouderijbedrijven elk afzonderlijk een bijdrage leveren aan de stikstofneerslag hebben die bedrijven met de Natuurbeschermingswet te maken.

Naast veehouderij veroorzaken ook de reguliere industrie, gemotoriseerd verkeer en de huishoudens stikstofneerslag. Ook die emissies dienen af te nemen. De bijdrage van deze sectoren is echter ondergeschikt aan de bijdrage van de veehouderij.

Ad 2 Verdroging

Ook het lage waterpeil pakt voor veel natuur negatief uit. Dit wordt hier voor de volledigheid wel als knelpunt genoemd, maar niet verder uitgewerkt. Het waterpeil is vooral de verantwoordelijkheid van de waterschappen.

Ad 3 Versnippering in vele kleine natuurperceeltjes

Om de versnippering van natuur tegen te gaan, is het EHS-beleid opgesteld: het realiseren van de Ecologische Hoofd Structuur. Het doel is om een groot aantal afzonderlijk natuurgebieden beter met elkaar te verbinden (verbindingszones), zodat planten en dieren niet opgesloten hoeven blijven in hun eigen reservaat. Dit punt hangt nauw samen met de twee voorgaande punten. Waar veel natuur het al moeilijk heeft door teveel vervuiling uit de lucht en te weinig water, betekent versnippering een extra drempel voor voortbestaan. Immers, de planten en dieren kunnen zich veel moeilijker verplaatsen naar mogelijk gunstiger locaties voor voortbestaan. De politieke problemen rond het EHS-beleid zijn echter zeer groot. Tegen het realiseren van de EHS wordt politiek veel weerstand geboden, waardoor na 20 jaar het einddoel nog lang niet in zicht is. Recent heeft de regering tot veler verbazing gezegd gemaakte afspraken niet langer na te willen komen, en daarmee genomen besluiten zelfs te willen herroepen. Daarover woedt nu een stevige politieke strijd. Dit punt wordt hier voor de volledigheid genoemd, maar blijft verder onbesproken.  

- Inzet Mobilisation, aanpak ammoniakvervuiling door veehouderij

De Nb-wet verplicht de overheid tot het beoordelen van projecten die gevolgen kunnen hebben voor de beschermde natuurwaarden. Welke de beschermde natuurwaarden zijn (en welke gebieden) volgt uit de Nb-wet.

Bijvoorbeeld het ondernemen van een veehouderijbedrijf betekent dat er ammoniakneerslag optreedt. De ammoniakneerslag (uitgedrukt in mol depositie potentieel zuur per hectare per jaar) wordt vastgesteld aan de hand van het aantal dieren, het stalsysteem en de afstand tot het betrokken gebied. Als de bedrijfsemissies hoger zijn én de afstand tot de natuurwaarden korter is, dan zijn de schadelijke ammoniakemissies  van het bedrijf op de nabijgelegen natuurwaarden groter. Maar, ammoniakdeposities reiken ook ver. Op 100 kilometer afstand van de veehouderij is slechts minder dan 60% van de emissies neergeslagen. Zie hiervoor de eerdere genoemde overheidspublicatie Ammoniak in Nederland.

In Nederland zijn tienduizenden veehouderijbedrijven gevestigd met elk meer dan ca. 100 melkkoeien, duizenden varkens of vele tienduizenden kippen. In combinatie met het uitrijden van de mest veroorzaken al die bedrijven tezamen de zogenaamde ammoniakdeken boven Nederland. Om in een goed evenwicht te komen met natuurbehoud is een hoge reductiedoelstelling noodzakelijk.

De Natuurbeschermingswet verplicht tot het maken van een beoordeling van de verenigbaarheid van de bedrijfsbelangen met de natuurbelangen. Die wettelijke plicht bestaat sinds 2005 met de komst van de gewijzigde Natuurbeschermingswet, en ook de Habitatrichtlijn in de wet is verankerd.

De overheid faalt ernstig met de inzet van de Natuurbeschermingswet als instrument voor natuurbescherming. Een ambitieuze vermindering van ammoniakdeposities is niet in zicht. Het is erger. Het optreden van de overheid heeft steeds meer als effect dat de bedrijven hun vervuiling consolideren, omdat de bedrijven de vervuilingsruimte als een bestaansvoorwaarde voor hun onderneming zijn gaan beschouwen. Het perfide effect van het huidige overheidsoptreden is dat de ondernemers de vervuilingsruimte als bedrijfskapitaal zijn gaan beschouwen, dat zij nauwelijks willen afstaan. Dit zou nog niet erg hoeven zijn indien gelijktijdig ook een robuust programma zou bestaan om tot serieuze vervuilingsreductie te komen. Dat programma ontbreekt. Over een dergelijk programma wordt wel veel geschreven en gepraat onder de titel Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Serieus vertrouwen in dat programma ontbreekt. Verwezen wordt naar het in het vakblad LUCHT gepubliceerde artikel 'Stikstof tot nadenken, de ontbrekende feiten', hieronder te downloaden.

- Wat doet de politiek?

Het politieke probleem is simpel te benoemen: de emissies vanwege de enkele tienduizenden veehouderijbedrijven zijn (soms zelfs meervoudig) te hoog. Dit wordt vooral veroorzaakt door de onvoorstelbaar hoge mestproductie vanwege de uitzonderlijk grote veestapel in een relatief zeer klein gebied. Er zijn hierin twee manieren om de emissies aan te pakken: ten eerste milieutechnische matregelen en ten tweede krimp van de veestapel (het probleem bij de bron aanpakken: afname van het aantal dikke darmen).

Technische maatregelen zijn in de afgelopen 20 jaar -deels op kosten van de belastingbetaler- uitvoerig onderzocht, gesubsidieerd en toegepast. De drie meest effectieve maatregelen hebben bestaan uit 1. het emissiearmer uitrijden van de mest (mestinjectie), 2. het maximeren van de veestapel en 3. emissie-armere stallen. Die maatregelen zijn inmiddels ook al geruime tijd wettelijk voorgeschreven via de wmeststoffenwet (het mestuitrijden en maximeren van de veestapel) en Besluit Huisvesting (emissiearmere stallen). De reële mogelijkheden voor emissiereductie middels technische maatregelen zijn daarmee grotendeels genomen. We zijn echter na 25 jaar beleid pas ongeveer halverwege het te bereiken doel. Dat brengt in een normaal denkproces onvermijdelijk de maatregel van beperking van de veestapel in beeld.    

Een openbaar debat over een beperking van de veestapel wordt vooralsnog angstvallig vermeden. Het tegendeel vindt plaats: de melkveestapel mag binnenkort weer toenemen, waar deze eerder door productiegrenzen was beperkt.

Het totaal aantal kippen en varkens in Nederland is al vele jaren via een dierrechtenstelsel aan een maximum aantal gebonden. Over de bestaande regulering van de kippen en varkens is de beslissing genomen om deze voorlopig te handhaven (zie: Meststoffenwet artikel 77).

Voor de melkkoeien geldt een veestapelregulering door het Europeesrechtelijk geregelde melkquotum. De melkveehouders zijn gebonden aan een maximum melkproductierecht, en daarmee aan een maximum aantal dieren. Dit beleidsstelsel vervalt in 2015. De melkveestapel mag daarna weer toenemen. De Nederlandse regering heeft dit recent besloten, een omstreden besluit van een PvdA-bewindsvoerder. Dit is een garantie voor een toename van de deposities, waar deze juist dienen af te nemen.

Het enorme mestoverschot veroorzaakt niet enkel teveel ammoniakvervuiling. Naast deze ammoniakvervuiling lijdt de bodem en ook het grondwater schade door het uitrijden van teveel mest met langdurig schade aan de bodemkwaliteit tot gevolg, met inbegrip van grond-  en oppervlaktewater. De Europeesrechtelijke Nitraatrichtlijn (mest bevat nitraten) en Waterrichtlijn (o.a. uitspoeling nitraten naar het water) stellen daarom eisen aan de bodem- en waterkwaliteit. In Nederland blijven we deze gestelde minimumnormen voorlopig nog structureel overschrijden. Er is door de Nederlandse overheid zelfs een ontheffing bedongen bij de Europese Unie van de Europese normen, omdat Nederland dat Europese normen niet zou kunnen (of willen?) naleven (derogatie van de Nitraatrichtlijn). Dit ondanks de grote waarschijnlijkheid dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking een stevig tegenstander van het verzoek om ontheffing zal zijn. Immers, de meeste mensen zullen hun kinderen een schoon leefklimaat willen nalaten.

Mestwetgeving en een beleidsmatige beperking van de veestapel kan uiteraard pas komen te vervallen als ook de problemen met het mestoverschot daadwerkelijk zijn bedwongen. Die situatie is momenteel zelfs niet bij benadering gerealiseerd. Het ministerie van LNV publiceerde in juli 2010 het rapport 'Instrumentarium voor veehouderij binnen milieugebruiksruimte'. In dat rapport worden suggesties gedaan voor de veestapelregulering na 2015. Hoewel het rapport is opgesteld met als doel het politiek debat over de situatie na 2015 mogelijk te maken, wordt een constructief debat met als doel om mestwetgeving -en daarmee wettelijke regulering van de omvang van de veestapel- vermeden.

Niet alleen het milieuprobleem is overzichtelijk. Dat geldt ook voor het politiek landschap. De woordvoerders natuur en milieu van enkele politieke partijen zijn structureel mensen afkomstig uit de veehouderijsector. Om voor MOB onduidelijke redenen blijken bij enkele politieke fracties elke affiniteit met natuurbehoud structureel afwezig. In hun standpunten wordt natuurbehoud hoofdzakelijk negatief benaderd. De politieke werkwijze van deze politieke fracties is vaak dezelfde. De VVD-woordvoerder toont zich steevast de meest radicale tegenstander van elke vorm van overheidsregulering, en pleit daarmee direct tegen elke vorm van (agrarisch) natuur- en milieubeleid. Eerder is die rol ook gespeeld door de LPF-woordvoerder, tegenwoordig soms ook wel gespeeld door de PVV. Een radicaal standpunt - dat vaak enkel door specialisten is te herkennen als ketelmuziek - geeft de CDA-woordvoerder ruimte zich te presenteren als de ogenschijnlijke vertegenwoordiger van een redelijk compromisvoorstel. Voor het CDA bij herhaling  gelegenheid zich te presenteren als een redelijke middenpartij, terwijl feitelijk wanbeleid wordt aangekondigd.

Een voorbeeld hiervan betreft het steeds weer opnieuw terugkomen op de mate van wetenschappelijke zekerheid over de optredende natuurschade van ammoniakvervuiling. Hoewel over de schade weinig onzekerheid bestaat, wordt elke kans te baat genomen om onzekerheid te suggereren. Voor zover onzekerheid bestaat, is die vooral te vinden in het precies vaststellen van de mate van de schade, onderverdeeld naar de verschillende natuurtypen danwel beperkte onzekerheid over de effectiviteit van milieutechnieken. Een verstandig mens zou zeggen dat bij vaststelling van een ernstig teveel aan ammoniakvervuiling stevig werk gemaakt dient te worden van een flinke reductie. De VVD-bijdrage bestaat echter hoofdzakelijk uit politieke obstructie door steevast uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek in twijfel te trekken. Met een iets gematigder inbreng van het CDA over de politieke betekenis van de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek lijkt deze als snel een redelijke partij. Op dit thema toont de praktijk vele varianten.

Overigens is het ronduit merkwaardig dat de VVD zich steevast ronduit natuurvijandig uitdrukt. Sommige VVD-oudgedienden hoor je hierover nog wel eens mopperen (Winsemius, Nijpels), maar zonder veel effect. In veel andere landen is natuurbeheer bij rechtse partijen lang niet altijd in slechte handen. Natuur maakt in veel landen een essentieel onderdeel uit van het imago van dat land (landschappelijke waarden, identiteitsbepalende diersoorten enz), iets wat veel politici aan de rechter zijde graag koesteren. Zeker, die politici hebben dikwijls ook de mond vol van jacht en ondernemersbelangen, maar laten zich evengoed gelijktijdig aanspreken op natuurbeheer. Zo niet de VVD. Elke VVD-bijdrage aan het debat over natuurbeheer wordt beheerst door het dogma van de kleinere overheid, waaruit volgt de wens om minder (lees: zwakkere) regels en minder overheidsuitgaven. In de Nederlandse politieke praktijk is het maar al te vaak ook de zwakste thema's waar de partij haar succesen behaalt. En gegeven het feit dat natuurbelangen een zwakke politieke stem heeft, de VVD graag opmarcheert met haar zucht naar een kleinere overheid, wordt juist dat thema het slachtoffer van de VVD waar de overheid bij uitstek een belangrijk rol moet spelen. Immers, de overheid heeft een monopoliepositie in het vaststellen van de minimum kwaliteitseisen aan de lucht, water en bodem en sook aan het gebruik van de ruimte via bestemmingsplannen. Deze klassieke overheidsthemna's zijn cruciaal voor natuurbeheer.

De beschreven situatie zou niet ernstig zijn, indien andere partijen voor een correctie zouden zorgen. Daarvan blijkt al lang geen sprake meer van te zijn. Dit heeft een specifieke oorzaak.

De meeste andere partijen hebben amper binding met het platteland. Het zijn overwegend stedelijk georiënteerde  partijen, met weinig achterban en inzicht in het buitengebied. De verschillen tussen plattelandspolitiek en stedelijke politiek zijn aanzienlijk. In de plattelandspolitiek domineert agrarische belang, met een zwakke stem voor natuurbelangen. Bestemmingsplannen voor het buitengebied blijken hoofdzakelijk een agrarisch bedrijfsontwikkelingsplan. Veel agrariërs zien natuur als een sta-in-de-weg, gebaseerd op de kortzichtige gedachte dat natuurbelangen nu eenmaal moeten wijken voor voedselproductie. Meer stedelijk georienteerde politieke partijen tonen zich volstrekt incompetent in deze politieke retoriek, en laten hun politieke dossier "overheid en plattelandsbestuur" veelal versloffen. Deze partijen stellen natuur belangrijk te vinden, maar gaan voorbij aan het feit dat natuur buiten de stad ligt, tussen de agrariërs. Indien werkelijk belang wordt gehecht aan natuur is het onvermijdelijk om je goed thuis te maken in de agrarische politiek. Dit geldt evenzeer voor de andere problemen die gezonde natuur bedreigd; verdroging en versnippering. Ook dan ontmoet je onvermijdelijk agrarische belangen. Hiermee zal duidelijk zijn geworden dat in de Nederlandse natuur een politiek weeskind is geboren. 

Als we de politieke gang van zaken beter bekijken, dan kan de vraag gesteld worden of het de politici in de eerste plaats verweten kan worden dat structurele natuurschade niet hoger op de politieke agenda staat. Immers, politici kunnen meestal pas serieus aan de slag nadat maatschappelijke organisaties de zaak op de politieke agenda hebben gezet. Als het om natuur gaat komen we al snel bij een grote organisatie als Natuurmonumenten terecht. Deze organisatie weet als geen ander welke problemen door de ammoniakemissies uit de veehouderij optreden. Zij besteden een vermogen aan het beperken ammoniakemissieschade. Door de ammoniakemissies is onder meer sprake van vergrassing, wat wordt bestreden met regelmatig maaien en andere ecologische ingenieurstechnieken. Zonder maatregelen zouden veel natuurwaarden overwoekerd worden door stikstofminnenden begroeiing. Dweilen met de kraan open.

Waar je zou verwachten dat Natuurmonumenten op de stoep staat bij de politiek en de agrarische sector, is het tegendeel waar. De inmiddels duizenden verleende Natuurbeschermingswetvergunningen zijn door Natuurmonumenten ongemoeid gelaten. Zelfs hun pink niet bewogen. Tegen het zwaar omstreden vergunningbeleid, op basis waarvan die vergunningen zijn verleend, is Natuurmonumenten niet opgetreden. Natuurmonumenten meent kennelijk voldoende te doen door af en toe een bezorgde brief aan de Tweede Kamer en de provinciebesturen te zenden, en keurig mee te praten als ze worden uitgenodigd. Als boeren met tractoren veel politiek kabaal maken, kijken ze bij Natuurmonumenten enkel verschrikt toe. Natuurmonumenten toont geen enkel inzicht in het feit dat naarmate meer vergunningen voor onbepaalde tijd aan veehouderijbedrijven zijn verleend, het ammoniakprobleem steeds minder oplosbaar zal zijn. Immers, waar een veehouder eenmaal over een vergunning voor onbepaalde tijd beschikt, ontbreekt elk motief de eenmaal vergunde emissierechten op te geven. Tegen de tijd dat Natuurmonumenten eindelijk vindt dat het ernst moet worden, zullen de meeste veehouders hun vergunning op zak hebben. Natuurmonumenten moet de lakse houding het meest worden aangerekend, aangezien ze de bekendste speler zijn in natuurbeheer, met de sterkste politieke stem. In Nederland zijn in totaal ca. 55.000 veehouderijbedrijven. Natuurmonumenten heeft ca. 900.000 leden, maar laten na een politieke vuist te maken om tot een beter evenwicht tussen natuur en agrarische belangen te komen.

Een soortgelijk verhaal geldt voor de meeste overige terreinbeherende organisaties, zoals bijvoorbeeld de Provinciale Landschappen. De natuur lijdt aanhoudend ernstige schade, maar ze beperken zich tot politiek overleg met fluwelen handschoenen, kennelijk ernstig benauwd het reëel bestaande conflict met de agrarische belangen openlijk op tafel te leggen. Staatsbosbeheer valt onder de overheid, wat betekent dat die nagenoeg geen politieke speelruimte heeft. Ten slotte, we moeten evenmin bij Stichting Natuur & Milieu zijn. Waar zij in de jaren negentig nog een voortrekkersrol hebben gespeeld in dit onderwerp, is hun optreden nu minder dan een schaduw van toen. De enige andere organisatie die zich naast Mobilisation momenteel sterk inzet is Werkgroep Behoud de Peel (zie www.wbdp.nl). Zij beperken zich tot de Peelgebieden in Noord Limburg, en zijn een kleine organisatie met beperkte middelen. Hoe kan van politici verwacht worden dat ze kritischer zijn, als de algemeen bekende organisaties het volledig laten afweten?

 

Hieronder zijn 3 artikelen / brieven beschikbaar als pdf-downloadfile. Met de twee artikelen wordt in de kijkje in de keuken van de overheid gegeven. De correspondentie met LTO-Noord laat zien dat er nog altijd agrarische bestuurders rondlopen die menen juist te handelen door op de man te spelen. 

1. Veehouderij, milieubeleid en regeldruk; mr. V. Wösten / ir. A.K.M. van Hoof, Tijdschrift voor Agrarisch Recht, november 2009. Met dit artikel wordt de veelgehoorde stelling ontkracht dat de veehouderijsector te maken heeft gekregen met steeds striktere milieuregels. Het tegendeel blijkt juist. In de afgelopen jaren zijn de milieunormen fors versoepeld. Zelfs de ammoniakemissies - al decennia ontoelaatbaar te hoog - mochten van de overheid op bedrijfsniveau weer toenemen.

2. Stikstof tot nadenken, de ontbrekende feiten; mr. V. Wösten, Tijdschrift Lucht, december 2011. Met dit artikel wordt gesteld dat de nieuwe plannen voor de aanpak van de natuurschade door ammoniakemissies uit de veehouderij (Programmatische Aanpak Stikstof, PAS) ondeugdelijk genoemd moet worden. De Natuurbeschermingswet dreigt in de praktijk vooral een Veehouderijbeschermingswet te worden.   

3. Het derde stuk wekt de indruk dat de voorzitter van LTO-Noord geen constructieve gesprekspartner wil zijn.


FilenameFilesizeDate
assets/media/natuur-en-politiek
1 - Agrarisch Recht_ veehouderij, milieu en regeldruk.pdf 1.44 MB 2013-12-30
2 - Tijdschrift Lucht_stikstof de ontbrekende feiten.pdf 254.56 kB 2013-12-30
3 - Correspondentie MOB en LTO Noord.pdf 500.17 kB 2013-12-30